Helen Macdonald interview (De Standaard)

‘Door vogels te bestuderen ging ik mensen begrijpen’

Lees hier de krantenversie: Helen Macdonald 1Helen Macdonald 2Helen Macdonald 3

In De H is van havik verklaarde Helen Macdonald haar liefde aan een roofvogel. In haar nieuwe, geëngageerde bundel Schemervluchten richt ze haar lens op mens en dier.

 

Kathy Mathys

 

‘Mensen zeggen dat ik het overenthousiaste karakter van een labrador heb,’ lacht Helen Macdonald wanneer ze op mijn scherm verschijnt. ‘Ik mag dan wel schrijven over droevige dingen, in het echt ben ik meestal vrolijk.’ Macdonald praat vol vuur over de onderwerpen die haar aan het hart liggen, vogels, oerbossen, zonsverduisteringen.

Bij ons is ze bekend van De H is van havik, het boek dat ze schreef na de dood van haar vader.  In de hoop haar verdriet te kanaliseren, begon Macdonald, die als kind al verzot was op roofvogels, een havik af te richten. In De H is van havik combineerde Macdonald memoir met natuurgeschiedenis, wetenschap en biografie.

Macdonalds havik is al een tijd overleden en ook het huis dat de schrijfster en haar vogel deelden, is uit beeld verdwenen. De schrijfster woont sinds twee jaar in een dorpje in Suffolk. Op de dag dat we elkaar spreken, heeft de dood opnieuw zijn intrede gedaan. De schrijfster rouwt om haar papegaai. ‘Ik heb me te pletter gehuild, toen hij vorige week stierf. Achttien jaar deelden we lief en leed. We hadden een eigen taal, een mengvorm van mensen- en vogeltaal,’ zegt ze.

 

Verdriet en liefde vormen de rode draad in het werk van Macdonald. ‘De twee zijn met elkaar verbonden. Verdriet zou je kunnen omschrijven als de liefde die ontstaat op het moment dat het object van de liefde is verdwenen’. In haar vierde boek, de essaybundel Schemervluchten, verklaart de schrijfster de liefde aan, ondermeer, een bloemenweide uit haar kindertijd en aan de gierzwaluw, een vogelsoort die na verlating van het nest jarenlang in de lucht blijft zonder te landen. En dan verlies. Als natuurschrijver kan je deze dagen niet om dat thema heen, vindt Macdonald. Door de klimaatverandering zitten we midden in een trage apocalyps, schrijft ze.

De thema’s in haar nieuwe boek zijn heel divers, toch zijn er parallellen met haar vorige: ‘In beide speelt mijn kindertijd een sleutelrol en laat ik zien hoe ik mijn ideeën over de natuur heb gevormd. Een belangrijk thema in beide boeken is de relatie tussen mens en natuur, de manier waarop we de natuur gebruiken als spiegel of als entiteit waarop we ideeën projecteren.’

Macdonald heeft ontdekt dat het essaygenre een flexibele vorm is. ‘Sommige stukken schreef ik in opdracht van magazines als The New York Times Magazine of  The New Stateman, andere gewoon voor vrienden. Meestal ontstaat een essay vanuit een vraag. Ik stelde me tijdens het schrijven voor dat de lezer naast me stond en dat ik een gesprek met hem of haar voerde.’

 

Over Marsonderzoeker Nathalie Cabrol schrijft u ‘Onderzoek vergroot haar verbeeldingskracht’. Geldt deze observatie ook voor u?

 

‘Zeker. Ik verlies mijn ongeduld wanneer ik lees dat wetenschappelijke kennis de magische kant van de natuur teniet doet. Van tal van natuurfenomenen was de schoonheid en de magie me ontgaan als het me had ontbroken aan wetenschappelijke kennis. Ik werkte vroeger als wetenschapshistoricus aan de universiteit van Cambridge en dat bepaalt nog steeds hoe ik tegen de dingen aankijk. Ik ben dol op onderzoek en analyse. Wanneer ik iets aan het verkennen ben, voel ik me vrij als een dolfijn in de oceaan, helemaal in mijn element.’

 

Toch schrijft u in ‘Hert in de koplampen’ over uw weerzin om meer te weten te komen over herten.

 

‘Ik zag herten als verschijningen uit oude legendes. Dat beeld wilde ik niet kapotmaken. Nu weet ik dat kennis en mystiek naast elkaar kunnen bestaan. Ik denk dat Schemervluchten twee gedachten in zich draagt. De eerste klinkt als volgt: we moeten meer te weten komen over de natuur en over de manier waarop we ons verhouden tot de natuur. De tweede luidt: de natuur kan ons emotionele en spirituele troost brengen.’

 

Die spirituele troost doet denken aan de stapels natuurboeken die tegenwoordig verschijnen met het woord ‘les’ of ‘leren’ in de titel. Wat vindt u van dat soort publicaties?

 

‘Het idee dat we troost en genezing vinden in de natuur, is eeuwenoud en wetenschappelijk coherent. Toch heb ik problemen met die gedachte omdat ze de mens centraal stelt. Het draait om onze troost, onze genezing, niet om plant of dier. Het is nochtans essentieel om te beseffen dat de wereld nooit van ons is geweest, hoewel we ons gedragen alsof dat zo is. Verder vind ik het belangrijk om te beseffen dat niet iedereen troost kan vinden in de natuur. Tijdens de eerste lockdown had iedereen in Groot-Brittannië het over de troost van de natuur. Vertel dat maar eens aan iemand die in een krappe flat woont tussen het beton, zonder toegang tot de natuur. Een bezoek aan de natuur  is geen onschuldig gegeven, klasse speelt altijd mee op de achtergrond. Daarom vind ik het zo belangrijk om in mijn boek manieren te laten zien waarop je troost kan vinden in de natuur zonder dat je ver hoeft te reizen, gewoon op je balkon of op de hoek van de straat. Wanneer je duiven ziet of spinnen, probeer je dan eens in te beelden hoe het leven voor hen is.’

 

U beschrijft veel ontmoetingen met dieren. Is het mogelijk voor ons om dieren echt te ontmoeten, met de nodige empathie?

 

‘Toen ik een kind was, geloofde ik dat iedereen op me leek, hetzelfde dacht als ik. Volgens mij geloven veel kinderen dat. Door ouder te worden, ging ik beseffen dat daar niets van klopt. We hebben verschillende geesten, verschillende motieven en die diversiteit is juist mooi. Ik trek die gedachte in het boek door naar dieren. Zolang we beseffen dat dieren anders zijn, een heel andere wereld bevolken, – ook al delen we dezelfde ruimte – kan je een betekenisvolle ontmoeting hebben. Toen ik mijn havik africhtte, dacht ik in het begin dat ik in Mabels wereld kon verdwijnen. Het besef dat ze tot een ander universum behoorde, een dat ondoordringbaar was voor mij, verdiepte onze band. Mabel leerde me veel over respect voor andersoortige geesten. Door vogels te bestuderen, ging ik zelfs mensen beter begrijpen.’

 

In hoeverre heeft uw kindertijd u gevormd als natuurschrijver?

 

‘De belangrijkste gebeurtenis uit mijn kindertijd vond plaats bij mijn geboorte. Ik had een tweelingbroer en die is gestorven tijdens mijn moeders bevalling. Ik was veel te vroeg geboren en mijn leven heeft lang aan een zijden draadje gehangen. Dat moeizame begin zorgde ervoor dat ik altijd een gevoel van fundamentele eenzaamheid heb gekend. Mijn ouders hielden van me, ik had een bijzondere kindertijd omringd door de natuur. Wel voelde ik gemis. Er kwam alsnog een broer, zes jaar na mijn geboorte. Omdat het leeftijdsverschil tussen ons zo groot was, speelde ik veel alleen. Ik vond dat destijds niet erg, het was gewoon wat het was. Nu besef ik dat ik eenzaam was. Mijn leven lang heb ik geprobeerd om die eenzaamheid te bekampen door dieren op te zoeken. Let wel, ik heb geen spijt. De specifieke omstandigheden waarin ik ben opgegroeid, hebben me gevormd als wetenschapper en als schrijver. Juist doordat ik zoveel alleen was, had ik tijd om de natuur te bestuderen.’

 

Het was hartverscheurend om te lezen dat u tijdens de kindertijd geloofde dat het landschap altijd hetzelfde zou blijven. Wanneer bent u gaan beseffen dat dit niet zo was?

 

‘Dat besef groeide heel traag. Ik ben geboren in 1970 en sindsdien zijn zoveel dier- en plantsoorten verdwenen. Ik mis nog steeds bepaalde restaurants en ijscrèmemerken uit mijn kindertijd, maar dat is niets vergeleken met de manier waarop ik bepaalde landschappen mis. Het doet echt pijn, het is vergelijkbaar met het gemis van mensen. In mijn geest bestaan die oude plekken nog. Om bepaalde landschappen te behouden, moeten ze onderhouden worden. Dat wist ik als kind niet, ik dacht dat het vanzelf ging. Ik moet nog dikwijls denken aan de plevieren die ik als kind zag rondvliegen. Ik heb ze in geen decennia gezien. Veel mensen weten niet eens meer wat een plevier is. Het ontbreekt hen aan historische kennis over de soorten.’

 

Over dat gebrek aan historische kennis schrijft u in ‘Winterbossen’. Breekt dat gebrek ons nu zuur op tijdens de ecologische crisis?

 

‘Ik denk van wel. Mensen leven niet lang. Ze worden omringd door een landschap waarvan ze aannemen dat het eruit ziet zoals het hoort. Dat is onze tragedie. Als iemand die honderd jaar geleden leefde onze landschappen zou zien, zou die persoon verbijsterd zijn. Ik vind het kwalijk dat we wel leren over de geschiedenis van de mens, maar niet over die van het landschap. Gelukkig krijgen kinderen deze dagen in Groot-Brittannië weer meer les over de geschiedenis van de natuur. Het is belangrijk dat we ecologisch geletterd worden.’

 

Natuur en politiek

 

Wat Schemervluchten zo indringend maakt, zijn de dwarsverbanden die Macdonald trekt tussen het persoonlijke en het politieke, tussen nationale geschiedenis en de geschiedenis van de natuur. Af en toe bedient ze zich van een ironische toon, bijvoorbeeld wanneer het gaat over het menselijke verlangen naar de wildernis. Dat verlangen heeft volgens haar nooit alleen te maken met het verlangen naar de natuur: ‘Ik moet altijd lachen wanneer mensen zeggen dat ze de wildernis in willen trekken, in de voetsporen van Henry David Thoreau. Je moet weten dat Thoreau twee keer per week naar het huis van zijn ouders wandelde om daar te dineren! Dat verlangen naar de wildernis is toch vooral een droom van blanke mannen die iets aan zichzelf willen bewijzen. Ik ben dan ook blij dat er tegenwoordig meer vrouwen over de natuur schrijven of mensen die niet blank zijn of hetero. Hoe meer verschillende stemmen we hebben, hoe beter. De natuur is nu eenmaal divers.

Het begrip ‘wildernis’ wordt trouwens steeds problematischer. Ik ben een boek aan het lezen van Elizabeth Kolbert. Zij vindt het onzinnig om een onderscheid te maken tussen de mensenwereld en wat we de natuur noemen. Die twee systemen zijn sterk met elkaar verweven.’

 

Ook in uw boek vinden we de gedachte dat we een kunstmatige scheiding hebben aangebracht tussen mens en natuur. Wat vindt u van natuurreservaten?

 

‘Op zich vind ik ze geweldig. Alleen is het jammer dat ze een systeem onderhouden waarin de natuur slechts een beetje ruimte krijgt. We hebben overal natuur nodig! Sommige natuurreservaten lijken wel boerderijen voor stukjes natuur. Zeker, natuurreservaten hebben hun bestaansrecht, maar het idee dat de natuur enkel mag floreren achter hekken of afsluitingen, vind ik beangstigend.

De notie dat de natuur losstaat van de mens is overigens typisch westers. Ik logeerde eens in een hotel in Jaipur, India, waar duiven een nest hadden gemaakt bovenop de airco-installatie – er zat een gat in de installatie en zo waren ze de kamer binnengekomen. Ik vond het zo aangrijpend om te gaan slapen terwijl er vogels in de kamer sliepen. Het deed me eraan denken hoezeer wij de natuur van ons af willen duwen. We behandelen de natuur als een museumstuk achter glas, weren haar uit onze huizen.’

 

Volgens u ontsnappen natuurhistorici niet aan de context waarin ze hun werk doen. Hun onderzoek is onvermijdelijk doordrongen van de nationale geschiedenis van het moment. Hoe kwalijk is dat?

 

‘In bepaalde gevallen onschuldig, in andere best eng. Denk maar aan de manier waarop sommige schrijvers, die van nu of van vroeger, over het platteland hebben geschreven en daar ideeën aan hebben verbonden over zuiverheid, etniciteit en bloed. Bij sommigen schemert het idee door dat de beschreven plek aan hen toebehoort en aan niemand anders. Ik verafschuw dergelijk gedachtegoed. Het is belangrijk om je ergens thuis te voelen, maar dat doe je door aandachtig om je heen te kijken, door je omgeving te respecteren. Er zijn schrijvers die zich beroepen op een gouden verleden dat nooit bestaan heeft. Deze tendens vind je onder natuurschrijvers, net zo goed als bij sommige politici.

In mijn boek praat ik over de gelijkenissen tussen nationale geschiedenis en de geschiedenis van de biologie. Een van de verschijnselen die ik bespreek is ‘swann upping’. Jaarlijks worden alle zwanen in de stroomopwaarts gelegen gedeelten van de Theems gevangen en krijgen ze een merkteken om duidelijk te maken wie de eigenaar is, de koningin of een van twee oeroude koopgilden. Dit is een traditie die gepaard gaat met het nodige ceremonieel. Ik mocht ten tijde van het Brexit-referendum meereizen met een boot die de zwanen zou merktekenen. Ik vond het zowel belachelijk als geweldig. De boot passeerde de meest waanzinnige huizen en kastelen, het leek wel een droom. Ik liet me even meeslepen door die droom van een oud, magisch Engeland. Tijdens die boottocht snapte ik zelfs dat sommige mensen zich vastklampen aan mythes over een Engeland dat nooit is geweest. Wat ik met het stuk ‘Hoog die zwaan’ heb willen doen, is aantonen dat er andere verhalen zijn over Engeland, verhalen die niet gaan over mensen met privileges. We moeten kijken naar het kleine, het veronachtzaamde. Dat is het enige tegengif tegen valse mythen.’

 

Een van de meest politieke stukken in het boek gaat over mensen, niet over dieren, ‘Het verhaal van de student’.  Waarom hoorde dit stuk volgens u thuis in de bundel?

 

‘Dit is een veel politieker boek dan De H is van Havik, eigenlijk hebben bijna alle stukken een politieke dimensie. Ik vond het onvermijdelijk om dat politieke element erin op te nemen. De tijden zijn veranderd. Dingen die altijd al sluimerden, zijn nu aan de oppervlakte gekomen. Ik kon niet wegkijken. Ik ben altijd geboeid geweest door migrerende vogels. Die trekken zich niets aan van landsgrenzen. Het was voor mij dan ook een kleine stap om te kijken naar de gelijkenissen en verschillen tussen het lot van vogels en dat van vluchtelingen. De vreemdelingenhaat in Groot-Brittannië bezorgt me verdriet. ‘Het verhaal van de student’ ontstond uit een interview dat ik deed met een Syrische vluchteling. Het was een moeizaam gesprek door de taalbarrière, maar het heeft mijn leven echt veranderd. Ik denk er nog vaak aan.

Ik ben geen polemisch schrijver. In het echte leven ben ik een activist, op papier niet. Het enige wat ik als schrijver kan doen, is iets tegen het licht houden, iets laten zien aan mijn lezers. Dat geldt voor misstanden, maar dat geldt ook voor schoonheid. Kijk eens naar deze plant, naar die vogel. Hoe fascinerend! Niemand zal zich inzetten voor het voortbestaan van een dier of plant tenzij we houden van die soort. Daarom is het zo belangrijk om echt aandachtig te kijken.’

 

Een woord dat steeds weer opduikt in deze collectie en ook in uw oudere werk is ‘thuis’. Is ‘thuis’ een plaats of een gevoel?

 

‘Ik ben een vrouw van middelbare leeftijd zonder gezin. Ik leef alleen. Toch voel ik me thuis. Het woord ‘thuis’ betekende in mijn kindertijd dat je een gezin hebt en kinderen. Dat is gaan veranderen. Nu betekent het een gevoel van veiligheid dat lang niet vanzelfsprekend is in deze wereld. ‘Thuis’ is voor mij een begrip geworden dat niet verbonden is met één plek. Ik zie het als vrede hebben met hoe de dingen zijn.’

 

****

 

Helen Macdonald – Schemervluchten – vertaald door Nico Groen en Joris Vermeulen – De Bezige Bij – 320 blz.

Het boek verschijnt op 18 februari.