Start to write 3: vertellen en vertonen

Start to write (3)

 

In deze nieuwe reeks maak je kennis met de basis van het creatief schrijven. Een must voor nieuwkomers en een handige aanvulling voor wie meer ervaring heeft.

 

Laat het zien

 

Voor het schrijven van fictie gelden een aantal grondbeginselen. Als je net begint met schrijven, is het een must om je hierin te verdiepen. Voor wie al langer bezig is, is het een handig lijstje om zo nu en dan naar terug te grijpen om te checken of je geen dingen vergeet. In het derde deel behandelt Kathy Mathys: vertellen en vertonen

 

Gewoon beginnen (kopje)

 

Eindelijk een dag vrij! Eindelijk schrijven! De afgelopen weken was het zoeken naar gaatjes in de agenda, sprokkelde ik schrijfkwartieren bij elkaar in plaats van schrijfuren. Ik ga zitten aan mijn bureau, open mijn schriftje en dan… herinner ik me dat ik dat ene mailtje nog dien te verzenden, dat dit het uitgelezen moment is voor een grondige schoonmaakbeurt van het toilet. En hoelang ligt dat kadertje daar nu al te wachten om te worden opgehangen?

Klinkt bekend, nietwaar? We zoeken al te graag excuses om niet te beginnen. Als kind had ik daar geen last van, verzon ik nooit klusjes die me weghielden van het blad. Als kind maakte ik me ook geen zorgen over de kwaliteit van mijn tekst. Ik liet me gewoon meeslepen door wat zich maar aandiende.

Het is belangrijk als schrijver om je geest te leren kennen. Het is weer zover, zeg je dan tegen de stem in je hoofd die je wil laten poetsen en schrobben. Ik zoek weer eens uitvluchten, heb last van podiumvrees. Af en toe tref je me op schrijfdagen in de buurt van de schoonmaakmiddelen, vaker nog ga ik wel meteen aan de slag, dankzij deze tips:

 

– Besef dat er geen beter schrijfmoment is dan de vroege ochtend. Begin meteen met schrijven. De rest van de dag voel je je vrolijk om het werk dat je al hebt verzet.

– Schrijf in je pyjama. Zo voelt het niet als hard werken, wel als Kerstmis.

– Zet een kop thee of koffie. Kies een schrijfmok met een aanmoedigende boodschap.

– Lees een gedicht om in de sfeer te komen. Dat laatste doe ik steeds vaker. Deze ochtend was het een haiku van Diane Di Prima:

 

the inner tide –

what moon does it follow?

I wait for a poem

 

Mooi gedicht, maar sla dat wachten op inspiratie toch maar over. Begin gewoon! Ben je niet bezig met een project en wil je toch graag schrijven, kies dan voor een van de oefeningen uit de opwarming.

 

Opwarming (kopje)

 

Oefening 1:

 

Leg een voorraad aan met schrijfonderwerpen. Gebruik bijvoorbeeld een koekjesblik en stop er kaartjes in met daarop de thema’s die je wil verkennen. Trek een kaartje en schrijf. Ideeën? Sneeuw/strand/moeder/bloed/een herinnering aan zwemmen/een herinnering aan leren lezen.

 

Oefening 2:

 

Heb je een gedicht gelezen of een fragment uit een roman of kinderboek om in de sfeer te komen, laat dit dan je vertrekpunt zijn. Gebruik bijvoorbeeld de laatste zin van het fragment/gedicht als beginzin. Schrijf over hetzelfde onderwerp of imiteer de stijl van de schrijver.

 

Vertellen en vertonen: wat is het verschil? (Kopje)

 

Het is de beroemdste schrijfregel: show, don’t tell. Ofwel: vertoon in plaats van te vertellen. Maar wat betekent het eigenlijk? Ben je aan het vertellen, dan klinkt dat zo:

 

‘Terwijl ze de spaghetti bereidde, ontstak ze in een woede waarvan ze niet wist waar die haar heen zou voeren.’

 

Wil je het bovenstaande op een vertonende manier brengen, dan kan dit zo. Het fragment komt uit De Bradshaw variaties van Rachel Cusk:

 

‘Die middag besluit ze spaghetti bolognese te maken. Met veel gekletter en gerammel pakt ze de pannen. Ze vult de keuken met de lucht van gebakken uien en vlees. Ze hakt van alles fijn en mikt het in de pot. Ze is fanatiek geconcentreerd bezig, ze gaat helemaal op in het bereiden van de rode saus die, dik en vulkanisch, vlak bij haar vingertoppen borrelt. Ze weet niet wat er zal gebeuren als de saus klaar is.’

 

In het eerste voorbeeld benoem je de emotie, in het tweede niet. ‘Schrijven is geen psychologie,’ stelt Natalie Goldberg in Schrijven vanuit het hart. ‘We praten niet “over” gevoelens. Nee, de schrijver heeft een gevoel en haar woorden wekken datzelfde gevoel in de lezer op.’

 

Oefening 3:

 

– Herschrijf deze vertellende zin. Laat de lezer de emotie voelen zonder die te benoemen:

‘Saskia was doodsbang om na het donker de straat op te gaan.’

– Laat de lezer het feest uit onderstaande zin beleven. Laat hem of haar voelen hoe het is om te dansen, te praten, te drinken. Probeer de sfeer te beschrijven zonder die te benoemen.

‘Het feest was een grandioos succes. Iedereen stond dronken te dansen op de dansvloer.’

 

De kenmerken van beide technieken (kopje)

 

Vertonen:

– brengt de lezer dicht bij de gebeurtenissen, ondermeer dankzij het gebruik van details, zintuiglijke indrukken en dialogen.

– De beschreven gebeurtenissen spelen zich af in real time, net als in een filmscène.

– Je kauwt niet alles voor, de lezer trekt zelf zijn of haar conclusies.

– Spannend en direct

 

Vertellen:

– je vertelt over het personage, over de gebeurtenissen, de lezer beleeft ze niet direct.

– Deze techniek is erg geschikt om iets samen te vatten in plaats van het te laten zien in real time.

– Dankzij deze techniek kan je verbanden trekken tussen gebeurtenissen die op verschillende momenten spelen.

 

Oefening 4:

 

– Vertonen: Kijk nog even naar het fragment over Saskia. Staan er voldoende details en zintuiglijke indrukken in je tekst? Breng je de lezer echt dichtbij? Voeg een en ander toe, indien nodig.

– Vertellen: Schrijf nu een stukje over de week die volgt op het fragment dat je net hebt geschreven. Wat gebeurt er tijdens de week nadat Saskia ’s nachts de deur is uitgegaan? Schrijf het vertellend, vat samen.

 

Vertellen is niet verkeerd (kopje)

 

Misschien hebben we de indruk gewekt dat je maar beter niet te veel vertelt. Nochtans is met vertellen niets mis, zolang je het goed doet. Kijk eens naar onderstaand stukje uit Alles komt goed, altijd van Kathleen Vereecken:

 

‘We gingen naar school, maar niemand wist hoelang nog. De meester ging maar door en wees met zijn liniaal naar het bord. We dreunden de tafels van vermenigvuldiging op, maakten oefeningen in ons kladschrift, schreven met het puntje van onze tong uit onze mond dictees en opstellen, en deden elke ochtend een langer gebed dan anders. Alleen de landkaarten hingen er verloren bij. We zagen de ogen van de meesters afdwalen, twijfelen. We leerden niets meer over de wereld. We leerden niets meer over de geschiedenis. Want geschiedenis ging vaak over oorlogen.’

 

Dit is een vertellend fragment. Het meisje beschrijft de spannende, onzekere tijd in aanloop naar de Eerste Wereldoorlog. Het proza van Vereecken trekt de lezer het verhaal in, het is direct en levendig dankzij de details (liniaal, kladschrift, puntje van de tong, lang gebed) en het mooie beeld van de landkaart. Je mag dus wel degelijk vertellen mits je het goed doet. Hieronder staan enkele tips:

 

– Laat altijd ruimte voor de invulling van de lezer.

– Vermijd vage omschrijvingen als ‘mooi’, ‘gezellig’.

– Gebruik ook in vertellende stukken (zintuiglijke) details.

– Probeer te spelen met het ritme van de zinnen.

 

Oefening 5:

 

Herlees het samenvattende stukje over de week van Saskia. Kan je nog wat details toevoegen om het levendiger te maken? Schrap vage en sturende woorden. Zorg ervoor dat je in dit vertellende stuk ruimte laat voor de lezer. Laat hem of haar zelf vaststellen hoe het gaat met je personage.

 

Vertellen en vertonen combineren (kopje)

 

Sla een willekeurig roman open en begin te lezen. Je merkt al gauw dat er heel wat wordt verteld in verhalen. Romans die helemaal vertonend zijn geschreven, zijn zeldzaam. Als je gaat vertellen, kan je, zoals gezegd, samenvatten. Je kan terugblikken op eerdere gebeurtenissen, vooruitwijzen, spanning oproepen. In de meeste romans lopen vertellen en vertonen door elkaar, zoals in deze passage uit De mooiste tijd van ons leven Van Claire Lombardo:

 

Wendy sprak Violet bijna nooit meer. Op feestdagen voerde ze soms een kort gesprekje met veel wijn op de veranda aan de achterkant van het huis aan Fair Oaks, waar ze het kleffe gefliklooi van hun ouders niet hoefden te zien. Dus toen ze de naam van haar zus op het schermpje van haar telefoon zag, wist ze meteen waarom ze belde. Ze kende Violet goed genoeg – beter dan wie ook, eigenlijk – om te weten wat haar volgende stap was.

‘Ik neem aan dat je met de Danforths hebt kennisgemaakt.’

‘Denk maar niet dat ik niet nijdig op je ben, Wendy.’

 

De schrijver schetst de relatie tussen de zussen Wendy en Violet op vertellende wijze. Ze gebruikt daarbij twee mooie details: ‘de wijn op de veranda ‘en ‘het kleffe geflikflooi van hun ouders’. Zodra het telefoongesprek begint, beleven we mee in real time, scenisch.

 

Oefening 6:

 

Schrijf het begin van een verhaal waarin je twee personages introduceert. Ooit hadden ze een fijne band met elkaar, daarna kregen ze onenigheid. Misschien waren het hartsvriendinnen, collega’s of klasgenoten. Je kiest zelf voor het uitgangspunt. Begin je passage met een vertellend stukje waarin je op een levendige manier de geschiedenis van de personages uit de doeken doet. Dan ga je over op een vertonend deel. De twee komen elkaar na lange tijd tegen. Laat hen niet meteen met elkaar praten. Een van de twee krijgt de ander in de gaten. Ze volgt haar/hem op straat.

 

Oefening 7:

 

– Schrijf op een vertellende manier een stukje over je kinderjaren.

– Schrijf nu een scène (vertonend dus) waarin je een specifiek moment uit je kindertijd tot leven wekt.

– Herlees beide delen. Kan je ze eventueel combineren tot een geheel? Je hoeft niet te beginnen met een vertellende introductie om dan over te gaan op vertonen. Je kan de vertellende elementen ook versnipperen en invoegen in de vertonende passage.

 

Kathy Mathys is schrijfster, literair journalist en docent creatief schrijven. www.kathymathys.nl